De fiets bestaat al meer dan 200 jaar. De eerste fiets zag er heel anders uit dan de fiets van nu.
In 1817 maakte Karl von Drais uit Duitsland een soort fiets. Deze fiets was van hout en had nog geen pedalen.
Je zat op een zadel en zette je voeten op de grond. Door met je voeten te lopen kwam de fiets vooruit.
Rond 1860 kwamen er fietsen met pedalen. De pedalen zaten vast aan het voorste wiel.
Deze fietsen reden niet fijn op slechte wegen. Daarom kregen ze soms de naam bottenkraker.
Later kwam er een fiets met een heel groot voorwiel. Het achterwiel was juist erg klein.
Met zo'n fiets kon je snel rijden. Maar vallen was erg gevaarlijk omdat je zo hoog zat.
In 1885 kwam er een nieuw soort fiets. De twee wielen waren ongeveer even groot. Dat maakte fietsen veiliger.
De pedalen dreven het achterwiel aan met een ketting. Dit lijkt al veel op de fiets die wij nu kennen.
Daarna kwam de luchtband. Deze band maakte fietsen een stuk fijner.
Een luchtband vangt schokken van de weg op. Daardoor voel je minder van kuilen en stenen.
Fietsen zijn nu vaak gemaakt van lichte en sterke spullen. Ze hebben goede remmen en vaak meerdere versnellingen.
Ook rijden steeds meer mensen op een e-bike. Een motor helpt je dan tijdens het trappen.
Sommige nieuwe fietsen zitten vol slimme techniek. Ze hebben bijvoorbeeld een scherm of een systeem om de fiets terug te vinden.
Toch werkt het idee nog bijna hetzelfde als vroeger. Je zit op twee wielen en gaat zelf op pad.
De eerste fiets had geen pedalen en je moest dus met je voeten over de grond lopen.